ECLI:NL:RBDHA:2018:15002

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2018
Publicatiedatum
17 december 2018
Zaaknummer
NL18.22038
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 29 lid 1 aanhef en onder a en b Vw 2000Art. 30b lid 1 aanhef en onder b Vw 2000Art. 31 lid 1 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens economische motieven en veilig land van herkomst

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij vanwege familiale conflicten en het ontbreken van identiteitsdocumenten in Marokko niet kon voorzien in zijn levensonderhoud. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de motieven van eiser voornamelijk economisch waren en Marokko als veilig land van herkomst werd beschouwd.

Eiser voerde aan dat het ontbreken van documenten niet aan hem mocht worden toegerekend en dat terugkeer zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege de mensonterende omstandigheden zonder bescherming door Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was om zijn identiteit te bewijzen, noch dat hij daadwerkelijk bescherming ontving of kon verwachten van de autoriteiten.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, mede omdat Marokko als veilig land van herkomst geldt en de aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om asielrechtelijke bescherming te rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.22038

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.M.H.C. Verwiel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Jaber).

ProcesverloopBij besluit van 19 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.22039, plaatsgevonden op 13 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat hij Marokko heeft verlaten omdat hij ruzie kreeg met zijn tante en daardoor niet meer bij zijn oom kon verblijven en hij vanwege het ontbreken van identificerende documenten ook niet kon werken. Hierdoor kon eiser in Marokko niet in zijn eigen levensonderhoud voorzien en was er daar geen toekomst voor hem.
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder alleen de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser als relevante elementen. Volgens verweerder heeft eiser namelijk enkel economische motieven aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Deze motieven zijn niet te herleiden tot het Vluchtelingenverdrag en/of artikel 3 van Pro het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de door eiser gestelde identiteit en herkomst niet definitief vast te stellen zijn. Verweerder volgt de gestelde nationaliteit, gezien het gehoor in de Marokkaans Arabische taal, vooralsnog wel. Omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst en enkel economische motieven aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd, heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.
3. Eiser voert aan dat verweerder hem niet mag aanrekenen dat hij geen identiteitspapieren heeft kunnen overleggen. Eiser is namelijk tot de gerechtvaardigde conclusie gekomen dat het zinloos is om te proberen zijn geboorteakte bij zijn oom op te vragen. Dat verweerder dit eiser tegenwerpt klemt temeer nu de vrees van eiser voor schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer juist volledig berust op het niet hebben van identiteitsdocumenten. Eiser vindt verder dat het op de weg van verweerder lag om herkomstvragen te stellen als verweerder vraagtekens plaatst bij de gestelde herkomst. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat zijn asielrelaas wel degelijk een inhoudelijk oordeel vereist. Eiser stelt namelijk door zijn erbarmelijke situatie bij terugkeer in een door artikel 3 van Pro het EVRM verboden situatie te belanden. Er is in Marokko geen daklozenopvang of andere voorziening aanwezig voor mensen zonder werk of die nooit gewerkt hebben. Eiser wacht dan ook een mensonterend bestaan bij terugkeer. Er zal sprake zijn van ‘official indifference in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity’ en dit is strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM. Verder stelt eiser dat hij is gearresteerd en mishandeld door de politie en dat daaruit blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten hem geen hulp hebben geboden (of zullen bieden) bij de mensonterende omstandigheden waaronder hij in Marokko moest leven. Tot slot stelt eiser dat Marokko voor hem persoonlijk noch in het algemeen als een veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat bij het vaststellen van Marokko als veilig land van herkomst niet is gekeken naar de situatie van eiser waarbij er sprake is van ‘officiële onverschilligheid’ ten aanzien van zijn mensonterende bestaan en dus ook niet of de Marokkaanse autoriteiten hiertegen daadwerkelijk bescherming bieden. Dit had verweerder op basis van de beschikbare landeninformatie dienen te beoordelen. Volgens eiser volgt uit die landeninformatie dat de autoriteiten geen bescherming bieden in de door eiser genoemde situatie. h
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt in aanmerking te komen voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Verweerder heeft het daarbij aan eiser kunnen toerekenen dat hij zijn gestelde identiteit en herkomst niet heeft aangetoond. Verweerder heeft namelijk van eiser mogen verlangen dat hij contact zocht met zijn oom om (een kopie van) zijn geboorteakte te verkrijgen. Eiser heeft geen objectieve redenen aangevoerd waarom deze eis van verweerder onredelijk zou zijn. Integendeel, eiser heeft in het gehoor veilig land van herkomst zelf verklaard dat zijn oom hem had gezegd dat hij later terug kon komen voor een kopie van zijn geboorteakte, maar dat eiser zelf had besloten geen contact meer met zijn oom op te nemen. Dat eiser in de correcties en aanvullingen heeft aangegeven dat hij niet zou hebben gezegd dat zijn oom bereid was de papieren terug te geven, heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven brengen op dit punt. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het verslag van het gehoor. Temeer nu eiser meermalen is gevraagd of hij geprobeerd heeft om een kopie van zijn geboorteakte te verkrijgen en eiser niet een keer heeft aangeven dat zijn oom niet bereid zou zijn hem dit te verstrekken. Aan de verklaring van eiser ter zitting dat de tolk een en ander verkeerd zou hebben vertaald, gaat de rechtbank voorbij nu er geen aanknopingspunten voor deze stelling in het rapport te vinden zijn.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser geen asielrechtelijke motieven aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft immers enkel aangegeven dat hij in Marokko geen woning en geen (vooruitzicht op) werk had en dat hij daarom voor een betere toekomst het land heeft verlaten. De stelling van eiser, kort samengevat, dat hij bij terugkeer als dakloze in een zodanig uitzichtloze situatie zal belanden dat artikel 3 van Pro het EVRM zal worden geschonden en dat de Marokkaanse autoriteiten daar onverschillig tegenover zullen staan, heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven brengen. Daargelaten dat dit nog altijd een sociaaleconomisch motief behelst, heeft verweerder het aan eiser kunnen tegenwerpen dat van hem als zesentwintigjarige jongeman verwacht mag worden dat hij zich weet te redden in zijn land van herkomst. Zoals uit hetgeen onder 5.1 is overwogen volgt, is niet komen vast te staan dat eiser via zijn oom niet meer aan identiteitsdocumenten kan komen. Daarnaast is niet gebleken dat eiser zich niet kan wenden tot de autoriteiten voor het verkrijgen van identificerende documenten, werk en een verblijfplaats. Eiser heeft zelf verklaard dat hij dat niet heeft geprobeerd. Dat eiser is gearresteerd en mishandeld door de politie en dat om die reden geen bescherming te verwachten is van de Marokkaanse autoriteiten, vindt de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. In het gehoor veilig land van herkomst heeft eiser juist expliciet verklaard geen problemen te hebben met de autoriteiten in Marokko. Aan de enkele stelling in de correcties en aanvullingen dat eiser vaak door de politie is geschopt en uitgescholden, gaat de rechtbank voorbij nu eiser geen goede reden heeft gegeven waarom hij hierover niets in het gehoor heeft gezegd.
5.3.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond nu Marokko als een veilig land van herkomst moet worden aangemerkt. Verweerder heeft het daarbij van belang kunnen achten dat de door eiser ingebracht landeninformatie ten dele al betrokken is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar oordeel van 1 februari 2017 over het besluit van verweerder om Marokko aan te merken als veilig land van herkomst (ECLI:NL:RVS:2017:209) en voor het overige geen wezenlijk ander beeld schetst van Marokko dan naar voren komt uit de rapporten die de Afdeling in haar uitspraak wel heeft betrokken.
6. Gelet op het vorenstaande is de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.