Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2018 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
het redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen afzienbare tijd) en dat de bewaring zo kort mogelijk is en niet langer duurt dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering (
voldoende voortvarendheid). Met betrekking tot het vereiste van een redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen afzienbare tijd oordeelt de rechtbank dat het zicht op uitzetting naar Afghanistan thans niet ontbreekt. Zo is gebleken dat eiser beschikt over een geldig reisdocument op basis waarvan hij uitgezet kan worden en dat de Afghaanse autoriteiten al hebben laten weten aan de DT&V dat hij kan worden uitgezet, zodat voor hem een Europees reisdocument kan worden aangemaakt en een vlucht worden aangevraagd. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat er een vlucht is aangevraagd, maar dat het in dit geval iets langer duurt omdat er een escorte nodig is voor de effectuering van het vertrek van eiser. Gebleken is dat eiser consequent heeft verklaard niet te gaan voldoen aan de vertrekplicht, maar dat hij niet heeft bestreden dat verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde zijn uitzetting te kunnen effectueren. Verder is uit de gedingstukken is gebleken dat eiser op 2, 6 en 8 februari 2018 vertrekgesprekken heeft gehad met de regievoerder.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.