Eisers, een Armeens gezin, vroegen asiel aan op grond van bedreigingen en problemen die zouden zijn ontstaan nadat eiser getuige was geweest van een buitengerechtelijke executie binnen de Armeense veiligheidsdienst. Verweerder wees de aanvragen af wegens ongeloofwaardigheid van de verklaringen over de executie en de vermeende status van dienstweigeraar.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de nationaliteit en identiteit van eisers geloofwaardig achtte, maar terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid van het relaas over de executie en de problemen die daarop volgden. Ook het betoog dat eiser als dienstweigeraar of deserteur wordt gezien, werd niet geloofd vanwege gebrek aan onderbouwing.
Verder vond de rechtbank dat de beoordeling van de geloofwaardigheid conform de geldende werkinstructies was uitgevoerd en dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden. De rechtbank wees ook op tegenstrijdigheden in het visumdossier en het relaas van eisers, wat de ongeloofwaardigheid versterkte.
De rechtbank concludeerde dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.