De rechtbank Den Haag behandelde de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor diefstal met valse sleutels en witwassen van diamanten. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €605.610,90, later verlaagd tot €465.025,01. De verdediging stelde het bedrag op maximaal €144.792,50.
De rechtbank baseerde haar schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op onder meer bankafschriften, verkoopgegevens van juweliers en verklaringen van de veroordeelde. De opbrengst van de diamanten van één benadeelde werd vastgesteld op €145.992,50, verminderd met kosten van €1.200, resulterend in €144.792,50.
De rechtbank verwierp het verzoek van de verdediging om de betalingsverplichting te matigen of op nihil te stellen, omdat er geen in rechte toegekende en betaalde vordering was en geen bewijs van onvermogen. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.