ECLI:NL:RBDHA:2018:1541
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig asielrelaas van Afghaanse aanvrager
Eiser, een Afghaanse staatsburger, diende op 15 december 2015 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij vanwege conflicten met de Taliban en de moord op zijn familieleden moest vrezen voor zijn leven bij terugkeer naar Afghanistan.
De staatssecretaris wees de aanvraag af op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het merendeel van het asielrelaas ongeloofwaardig werd geacht. Alleen de nationaliteit, identiteit, herkomst, etnische afkomst en de ontvoering en dood van een vriend werden als geloofwaardig beschouwd. De overige verklaringen waren vaag en summier, met onvoldoende details over motieven en daders.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht het asielrelaas grotendeels ongeloofwaardig heeft bevonden. De rechtbank vond geen aanleiding voor aanvullend medisch onderzoek naar het litteken van eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Eiser had inmiddels Nederland verlaten en een asielverzoek in Duitsland ingediend, maar bleef belang houden bij de beoordeling van zijn zaak in Nederland. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard wegens een grotendeels ongeloofwaardig asielrelaas.