ECLI:NL:RBDHA:2018:15431
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek hogere schadevergoeding voor onrechtmatige vreemdelingenbewaring minderjarige
De rechtbank Den Haag behandelde een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, een minderjarige vreemdeling, schadevergoeding vorderde wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring. De maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 en later opgeheven. De rechtbank stelde vast dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig was omdat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom een zwaardere maatregel nodig was en eiser niet voorafgaand aan het gehoor met zijn voogd en advocaat kon spreken.
Eiser, een 15-jarige asielzoeker, verbleef onder ongeschikte detentieomstandigheden, waaronder een nacht in een wachtcel van de Koninklijke Marechaussee. Verweerder erkende tekortkomingen, maar bood slechts een standaard schadevergoeding van €315,- aan. Eiser vorderde een hogere vergoeding wegens bijzondere omstandigheden.
De rechtbank concludeerde dat de onrechtmatigheid vaststaat, maar dat de omstandigheden geen aanleiding geven tot een hogere vergoeding dan het forfaitaire bedrag. De rechtbank wees het verzoek tot een hogere schadevergoeding af en veroordeelde de Staat tot betaling van €315,- plus proceskosten van €1.002,- aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was en kent een schadevergoeding van €315,- toe, maar wijst een hoger bedrag af.