ECLI:NL:RBDHA:2018:15432
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek hogere schadevergoeding wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring minderjarige
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een minderjarige vreemdeling tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De bewaring werd opgeheven voordat de zaak werd behandeld, waardoor de rechtbank zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of een schadevergoeding moest worden toegekend.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat niet was toegelicht waarom geen lichter middel van toezicht werd toegepast ondanks de minderjarigheid van eiser. Tevens was eiser niet in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan het gehoor zijn voogd en advocaat te raadplegen. De detentieomstandigheden waren niet passend voor een minderjarige, en het beleid hield onvoldoende rekening met de kwetsbare positie van minderjarigen.
Hoewel de bewaring onrechtmatig was, vond de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die een hogere schadevergoeding dan het standaardbedrag rechtvaardigden. De aangeboden forfaitaire vergoeding van €315 werd passend geacht. Daarnaast werden proceskosten van €1.002 toegewezen aan eiser. De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van de schadevergoeding en de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank kende een schadevergoeding van €315 toe wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.002.