ECLI:NL:RBDHA:2018:15493

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 april 2018
Publicatiedatum
3 januari 2019
Zaaknummer
NL18.5534
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.F. Frankruijter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel bewaring en uitzicht op uitzetting naar Marokko

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is geconfronteerd met een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Marokko zou zijn, of dat dit onvoldoende was gemotiveerd.

De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende gegevens heeft over de afgifte van laissez-passers en het daadwerkelijk uitzetten van vreemdelingen naar Marokko. Dit biedt een redelijk vooruitzicht op verwijdering. Daarnaast weegt de rechtbank de belangenafweging: gedurende de eerste zes maanden van bewaring gaat de voorkeur uit naar de belangen van verweerder, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, wat hier niet het geval is.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.F. Frankruijter en griffier C. Groenewegen op 4 april 2018.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.5534

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2018 in de zaak tussen

[eiser]

(gemachtigde: mr. G.A.J. Purperhart),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A.M.W. ’t Hoen).

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. al Hadjiui. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]
2. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, althans dat dat onvoldoende is gemotiveerd.
3. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. De reden hiervoor is dat verweerder ter zitting verklaard dat de volgende gegevens bekend zijn met betrekking tot de afgifte van laissez-passers (lp). Tot 12 maart 2018 zijn de volgende cijfers bekend.
Over 2017
- 24 x bevestiging van de nationaliteit;
- 11 lp’s verstrekt;
- 10 vreemdelingen zijn met een met lp vertrokken waarvan 2 via de Internationale Organisatie voor Migratie;
Over 2018 (tot 12 maart 2018)
- 9 x bevestiging van de nationaliteit;
- 5 lp’s verstrekt;
- 3 vreemdelingen zijn met een met lp vertrokken.
Verder is er de verwachting dat er nog 2 lp’s worden afgegeven.
Voorts heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op
15 februari en 27 november 2017 nog aangenomen dat zicht op uitzetting naar Marokko nog
aanwezig is. Ook het feit dat eiser eerder in bewaring heeft gezeten, maakt dit niet anders.
Wat dat betreft is het de rechtsplicht van eiser om actief en volledig zijn medewerking te
verlenen om aanknopingspunten te bieden ter vaststelling van zijn nationaliteit en identiteit.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4. Voor zover eiser aanvoert dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, faalt dit betoog. Naar vaste jurisprudentie komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van eiser, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Hiervan is in het geval van eiser geen sprake.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, rechter, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.