ECLI:NL:RBDHA:2018:1550
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- L. Kos
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening ter continuering opvang na kennelijk ongegronde asielafwijzing
Verzoeker, een asielzoeker van Algerijnse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die op 18 januari 2018 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Verweerder, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), maakte kenbaar dat de opvang per 22 januari 2018 zou worden beëindigd. Verzoeker stelde daarop een beroep en een verzoek om voorlopige voorziening in bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter oordeelde dat sprake was van onverwijlde spoed vanwege de dreigende beëindiging van de opvang. Juridisch werd vastgesteld dat op grond van de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU) en de Vreemdelingenwet 2000 verzoeker het recht heeft om de uitkomst van het beroep af te wachten, waarbij ook recht op opvang bestaat gedurende de voorlopige voorziening.
Verweerder voerde aan dat de opvang rechtsgevolgen heeft die beëindigd kunnen worden bij kennelijk ongegronde afwijzing en dat geen recht op opvang bestaat buiten de vertrektermijn. De voorzieningenrechter verwierp dit standpunt, mede vanwege de gewijzigde procedure sinds 2015 en de expliciete bepalingen in de Vreemdelingenwet en Procedurerichtlijn.
De voorzieningenrechter besloot dat de opvang van verzoeker dient te worden gecontinueerd totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van € 501,-. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de opvang van verzoeker wordt voortgezet totdat op het verzoek is beslist.