Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[de minderjarige persoon]
Procesverloop
Overwegingen
14 april 2014 deed eiser een nieuwe aanvraag die verweerder op 2 juli 2014 buiten behandeling heeft gesteld. Een derde aanvraag om uitstel van vertrek van 13 februari 2015 werd administratief afgesloten op 14 april 2015.
U had daar wel een vergunning hetgeen reeds betekent dat uw binding met Italië sterker is.” Op pagina 7 volgt echter: “
De omstandigheid dat u een sterkere band met Nederland hebt dan met Nigeria of Italië is als zodanig geen bijzondere omstandigheid.” Hoewel verweerder op zitting zich op het standpunt heeft gesteld dat steeds bedoeld is te zeggen dat de binding met Nederland sterk is, maar niet sterker dan met Italië, is dat onvoldoende om af te doen aan deze tegenstrijdigheid. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de banden met de verschillende landen een te belangrijk onderdeel van de belangenafweging om op deze wijze te herstellen. Zolang niet geheel duidelijk is met welk land verweerder vindt dat eiser een sterkere band heeft kan de rechtbank niet beoordelen of de belangenafweging op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Hierbij is voorts van belang dat verweerder op zitting heeft aangegeven dat hij uitgaat van Nigeria als land van herkomst. Dat hij dan de banden met Italië afweegt tegen die van Nederland maakt de motivering nog minder inzichtelijk.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.