De werknemer, sinds 1990 in dienst bij NN Group, werd in het kader van een reorganisatie per 15 maart 2017 overtollig verklaard en kreeg een beëindigingsvergoeding op basis van het sociaal plan. Hij stemde in met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst per 1 mei 2018, maar reserveerde zich het recht op aanvullende schadevergoeding wegens vermeend onterecht ontslag zonder voldragen ontslaggrond.
De werknemer stelde dat zijn oude en nieuwe functies uitwisselbaar waren en dat hij onterecht als ongeschikt werd beoordeeld voor andere functies. Hij vorderde een schadevergoeding van ruim €645.000 bruto. NN voerde verweer en stelde dat de werknemer met het akkoord de reguliere ontslagprocedures en toetsing van ontslaggronden had gepasseerd.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer door zijn instemming en het verstrijken van de bedenktijd de weg naar de reguliere WWZ-procedures had afgesloten. De WWZ is een lex specialis die het systeem van ontslaggrondtoetsing en billijke vergoeding regelt. Het verzoek tot aanvullende schadevergoeding op grond van een tekortkoming in nakoming ter ontduiking van de WWZ is niet toelaatbaar. Bovendien was het verzoek niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na beëindiging ingediend.
De kantonrechter wees het verzoek af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten. De beslissing werd op 25 oktober 2018 uitgesproken door kantonrechter M. Th. Nijhuis.