Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
In de zaak met procedurenummer NL18.21091:
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende vreemdeling, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd niet-ontvankelijk verklaard door verweerder omdat er geen nieuwe elementen of bevindingen waren die relevant waren voor de beoordeling, conform artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser overhandigde later alsnog twee ongedateerde verklaringen van een docent en dorpshoofd, maar deze werden door verweerder en de rechtbank als niet-verifieerbaar en onvoldoende nieuw beschouwd. De rechtbank oordeelde dat het asielrelaas van eiser in eerdere procedures ongeloofwaardig was bevonden en dat de huidige procedure geen nieuw licht wierp.
Daarnaast stelde eiser dat terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt, maar de rechtbank vond dit niet aannemelijk. Ook het opgelegde inreisverbod werd bevestigd, aangezien de omstandigheden geen reden geven om hiervan af te zien.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De rechtbank wees tevens een vordering tot proceskostenveroordeling af, mede vanwege de uitleg van het Gnandi-arrest dat alleen ziet op eerste asielaanvragen en niet op opvolgende aanvragen zoals in deze zaak.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.