ECLI:NL:RBDHA:2018:15701
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Iraakse staatsburger, diende op 2 september 2018 een asielaanvraag in Nederland in. De Nederlandse staatssecretaris nam de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Oostenrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname aan Oostenrijk gedaan, dat werd geaccepteerd.
Eiser stelde dat hij in Oostenrijk veiligheidsrisico's liep vanwege problemen met de vader van zijn voormalige vriendin, waaronder een steekincident. Hij verzocht Nederland zijn aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken vanwege bijzondere omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat eiser deze beweringen onvoldoende met bewijs had onderbouwd en dat hij zich niet tot Oostenrijkse autoriteiten had gewend voor bescherming.
De rechtbank overwoog dat Nederland terughoudend is in het toepassen van artikel 17 en Pro dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat overdracht aan Oostenrijk een onevenredige hardheid oplevert, werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.