ECLI:NL:RBDHA:2018:15733

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 november 2018
Publicatiedatum
14 januari 2019
Zaaknummer
NL18.19773
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.J. Sleeswijk Visser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen beroepsgronden bij asielverblijfsvergunning

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Het beroepschrift van eiser bevatte echter geen beroepsgronden zoals vereist volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft eiser bij brief gewezen op dit verzuim en hem een termijn van vijf werkdagen gegeven om de gronden alsnog in te dienen. Eiser heeft dit niet gedaan, waardoor de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart op grond van artikel 6:6 Awb Pro. De onttrekking van mr. Van den Broek als gemachtigde van eiser deed hieraan niet af, aangezien dit na het verstrijken van de termijn plaatsvond.

Eiser is zonder kennisgeving niet verschenen bij de zitting. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.19773

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene bestuurswet (Awb) niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.19774, plaatsgevonden op 8 november 2018. Eiser is, zonder voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
.
Bij schrijven van 7 november 2018 heeft mr. J.W.J. van den Broek laten weten dat zij de belangen van eiser niet langer behartigt en zij niet ter zitting zal verschijnen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan het in artikel 6:5 van Pro de Awb gestelde vereiste dat het beroepschrift de gronden van beroep omvat.
2. Het inleidende beroepschrift van 24 oktober 2018 bevat geen beroepsgronden in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Eiser is bij brief van 25 oktober 2018 op dit verzuim gewezen. Verder is eiser bij deze brief in de gelegenheid gesteld, conform artikel 6:6 van Pro de Awb, om het verzuim uiterlijk binnen vijf werkdagen te herstellen. In deze brief is ten slotte vermeld dat de rechter het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiser het verzuim niet tijdig herstelt. Eiser heeft het verzuim niet binnen vijf werkdagen hersteld.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van beroep niet tijdig zijn ontvangen. Gelet op voorgaande verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
4. Voor zover uit het dossier volgt dat mr. Van den Broek zich heeft onttrokken als gemachtigde van eiser, doet dat aan voornoemde beslissing van de rechtbank niet af. De onttrekking heeft immers plaatsgevonden na het verstrijken van de gestelde termijn voor het indienen van de gronden van beroep. Eiser was, blijkens uitlatingen van mr. Van den Broek, op de hoogte van haar beslissing om zijn belangen niet langer te behartigen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Sleeswijk Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H. van Limpt, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.