Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
[eiser], eiser
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft op 24 juli 2018 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waarbij hij een authentieke nationaliteitsverklaring van de Eritrese ambassade overlegde. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat niet kon worden vastgesteld dat de nationaliteitsverklaring daadwerkelijk aan eiser toebehoorde en de juiste persoonsgegevens bevatte.
De rechtbank overweegt dat hoewel staten elkaars wet- en regelgeving omtrent nationaliteit in beginsel dienen te respecteren, deze beginselen niet absoluut zijn. Verweerder hoefde daarom niet zonder meer uit te gaan van de juistheid van de nationaliteitsverklaring, temeer daar eiser eerder onwaarheden had verteld over zijn identiteit en de verklaring was gebaseerd op eigen verklaringen en die van onbekende getuigen.
De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er concrete aanknopingspunten zijn om niet van de juistheid van de nationaliteitsverklaring uit te gaan. Daardoor is de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit.