ECLI:NL:RBDHA:2018:15766

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 december 2018
Publicatiedatum
16 januari 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4554
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Vw 2000Art. 18 Vw 2000Art. 19 Vw 2000Art. 3.91 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.91a Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning regulier wegens onvoldoende studievoortgang

Eiser, een Iraakse student met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'studie', kreeg zijn vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 31 augustus 2017 nadat de Haagse Hogeschool meldde dat hij onvoldoende studievoortgang had geboekt.

Eiser voerde aan dat hij ten onrechte niet in bezwaar was gehoord en dat hij inmiddels een aanvraag had ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf bij partner'. Hij stelde dat verweerder rekening had moeten houden met zijn persoonlijke omstandigheden en intentie om zijn studie voort te zetten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van het horen van eiser in bezwaar kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Verder was eiser in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen maar heeft dit nagelaten. De intentie van eiser om de studie te hervatten en de aanvraag voor een andere verblijfsvergunning waren onvoldoende om de intrekking van de huidige vergunning te voorkomen.

De rechtbank concludeerde dat verweerder de intrekking terecht heeft uitgevoerd op grond van artikel 19 in Pro samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/4554

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: S. Bozkurt-Chhiba).

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking ‘studie’, met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 31 augustus 2017.
Bij besluit van 22 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2018.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Iraakse nationaliteit. Vanaf 1 september 2016 was eiser in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘studie’. Deze vergunning was geldig tot 1 december 2020.
2. Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken, omdat eiser niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Op 25 oktober 2017 heeft verweerder een melding van de Haagse Hogeschool ontvangen dat eiser met ingang van 31 augustus 2017 door het College van Bestuur van de Haagse Hogeschool is afgemeld omdat hij onvoldoende studievoortgang heeft geboekt.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet gehoord is in bezwaar. Verder voert eiser aan dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf bij partner’. Hiertoe heeft eiser inmiddels een aanvraag ingediend. Verweerder had rekening moeten houden met de persoonlijke omstandigheden van eiser bij de beëindiging van zijn rechtmatig verblijf, te weten dat hij de intentie heeft zijn studie voort te zetten en zich te doen inschrijven.
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. Ingevolge artikel 19 van Pro de Vw 2000 in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, voor zover van belang, kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.
Ingevolge artikel 3.91, eerste lid, aanhef, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan, onverminderd artikel 3.91a, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met studie, in ieder geval op grond van artikel 19 van Pro de Wet, in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet worden ingetrokken, indien de houder daarvan:
b. niet overeenkomstig bij ministeriële regeling vastgestelde normen voldoende studievoortgang boekt.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. In geschil is of verweerder eiser in bezwaar had dienen te horen en of verweerder rekening houdend met eisers persoonlijke omstandigheden van intrekking van zijn verblijfsvergunning had moeten afzien.
6.2.
De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eiser in bezwaar te horen, faalt. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiser heeft aangevoerd, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiser kon worden afgezien.
6.3.
De rechtbank stelt voorop dat eiser naar aanleiding van het door verweerder uitgebrachte voornemen van 20 november 2017 tot intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning in de gelegenheid is gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die verweerder aanleiding had moeten geven om de verblijfsvergunning niet in te trekken. Eiser heeft nagelaten een zienswijze in te dienen. In bezwaar heeft eiser evenwel aangegeven dat hij voornemens is zijn studie voort te zetten en dat hij voor een vergunning met een ander verblijfsdoel in aanmerking kan komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien om de intrekking van eisers verblijfsvergunning achterwege te laten. De enkele intentie van eiser om zijn studie weer op te pakken, is onvoldoende. Ook het enkele feit dat eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel ‘verblijf bij partner’, heeft ingediend, maakt niet dat van intrekking van de onderhavige verblijfsvergunning had moeten worden afgezien. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden bij intrekking van zijn verblijfsvergunning. Nu eiser ten tijde van het bestreden besluit niet langer voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend, heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning op grond van artikel 19 van Pro de Vw 2000 in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kunnen intrekken.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 20 december 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.