ECLI:NL:RBDHA:2018:15832
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, houder van de Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- en gezinslid van zijn minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit. Verweerder wees dit verzoek af, stellende dat onvoldoende daadwerkelijke invulling werd gegeven aan het gezinsleven en dat het vertrek naar Turkije geen onoverkomelijke belemmering vormde voor het gezinsleven.
De rechtbank oordeelt dat verweerder het deskundigenrapport van de Raad voor de Kinderbescherming onvoldoende heeft betrokken bij de belangenafweging. Dit rapport concludeert dat het vertrek van eiser het belang van de minderjarige dochter schaadt en dat een hulpverleningstraject noodzakelijk is om het contact te herstellen. Verweerder heeft deze conclusies onvoldoende gemotiveerd terzijde geschoven.
Verder is vastgesteld dat tussen eiser en zijn dochter familie- en gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, en dat de afwijzing een inmenging vormt die een zorgvuldige belangenafweging vereist. De rechtbank stelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en niet zorgvuldig is voorbereid, waardoor het beroep gegrond wordt verklaard, het besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.