Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter zitting
2.De vordering
3.De beoordeling van de vordering
.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde op 11 december 2018 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift. De vordering was aanvankelijk gesteld op €723.039,78, maar werd tijdens de zitting teruggebracht naar €26.961,98. De officier van justitie stelde uiteindelijk dat het voordeel nihil was, omdat niet kon worden vastgesteld dat het voordeel aan de veroordeelde was toegekomen.
De verdediging betoogde dat de vordering moest worden afgewezen omdat niet aannemelijk was dat de veroordeelde enig wederrechtelijk voordeel had genoten. De rechtbank overwoog dat artikel 36e Sr een reparatoir karakter heeft en dat het Openbaar Ministerie voldoende aanwijzingen moet leveren om aannemelijk te maken dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen.
Uit het dossier bleek dat de kasbewijzen valselijk waren opgemaakt om te tonen dat uitzendkrachten volgens de wettelijke looneisen werden betaald, terwijl zij in werkelijkheid andere bedragen contant ontvingen. De rechtbank kon echter niet vaststellen hoeveel contant geld dit betrof per vervalst kasbewijs en of het totaal van de bedragen daadwerkelijk voordeel vormde van het uitzendbureau en de veroordeelde.
Daarom concludeerde de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk was dat het wederrechtelijk verkregen voordeel bij de veroordeelde terecht was gekomen en wees de vordering tot ontneming af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.