ECLI:NL:RBDHA:2018:16436
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.T. Masmeyer
- Rechtspraak.nl
Intrekking erkenning convenanthouder kennismigrantenregeling wegens geen verleende verblijfsvergunningen
Eiseres was als convenanthouder erkend referent voor de kennismigrantenregeling. Verweerder trok haar erkenning in op grond van artikel 1.15a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, omdat in de afgelopen drie jaar geen machtiging tot voorlopig verblijf of verblijfsvergunning was verleend en er geen vreemdeling was waarvoor eiseres als referent optrad.
Eiseres betoogde primair dat artikel 1.15a VV 2000 geen wettelijke grondslag heeft en subsidiair dat verweerder haar belangen onvoldoende had meegewogen. De rechtbank oordeelde dat artikel 1.15a VV 2000 wel een wettelijke basis heeft, gelet op de delegatiebepalingen in de Vreemdelingenwet 2000 en de toelichting in de Memorie van Toelichting. De termijn van drie jaar werd niet onredelijk geacht.
Verder vond de rechtbank dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt en eiseres voldoende gelegenheid had gegeven haar zienswijze naar voren te brengen. Omdat eiseres geen concrete nadelige belangen had aangevoerd, was het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de erkenning als referent wordt ongegrond verklaard.