Eiser, een Iraakse asielzoeker, diende meerdere asielaanvragen in en verbleef in 2016 in grensdetentie na het uiten van een asielverzoek bij binnenkomst op Schiphol. Hoewel zijn asielaanvraag uiteindelijk werd ingewilligd, stelde hij beroep in tegen de toepassing van de grensprocedure en vroeg hij schadevergoeding voor de gehele periode van grensdetentie.
De rechtbank stelde vast dat eiser procesbelang had omdat hij schadevergoeding vroeg voor de vrijheidsontnemende maatregel tijdens de grensprocedure. Verweerder bood vergoeding aan voor een deel van de detentieperiode, maar eiser eiste vergoeding vanaf het begin van de detentie. De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie en oordeelde dat de grensprocedure niet van meet af aan onrechtmatig was, omdat verweerder een redelijke tijd moest krijgen voor onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat de grensprocedure vanaf het nader gehoor op 2 augustus 2016 onrechtmatig was en veroordeelde verweerder tot vergoeding van schade over de periode van 20 dagen, tegen een normbedrag van €80 per dag. Tevens werden proceskosten toegekend aan eiser. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de onrechtmatige grensprocedure betreft.