ECLI:NL:RBDHA:2018:1986

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2018
Publicatiedatum
21 februari 2018
Zaaknummer
16_749
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 3 Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen dwangsom wegens niet tijdig beslissing verzilveringsregeling inkomstenbelasting

Eiser maakte bezwaar tegen het niet toekennen van de verzilveringsregeling voor het jaar 2012 en stelde verweerder in gebreke wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar. Verweerder had de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, maar had nog geen onherroepelijke aanslag vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat de verzilveringsregeling pas kan worden vastgesteld nadat de aanslag onherroepelijk is geworden. Hierdoor was verweerder niet in gebreke met betrekking tot een te nemen beslissing over de verzilveringsregeling. Tevens was de ingebrekestelling ondeugdelijk voor zover deze betrekking had op het doen van uitspraak op bezwaar tegen de aanslag, omdat niet duidelijk was welke beslissing verweerder moest nemen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een dwangsom af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter M.C.J.A. Huijgens op 16 februari 2018.

Uitkomst: Het beroep tegen de dwangsom wegens niet tijdig beslissing verzilveringsregeling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 16/749

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 17 juli 2015 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
Eiser heeft op 28 augustus 2015 pro forma bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Het bezwaar is op 13 oktober 2015 gemotiveerd.
Bij brief van 12 november 2015 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
Op 27 januari 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Eiser heeft verzocht om toekenning van een dwangsom.
Bij uitspraak op bezwaar van 19 februari 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2017.
Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A].

Overwegingen

Feiten
1. De brief van eiser aan verweerder van 13 oktober 2015 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
‘Hierbij doe ik U de nadere gronden toekomen op het eerder ingediende bezwaarschrift dd. 28 augustus ll..
Het bezwaar is gericht tegen het niet toekennen van de verzilveringsregeling.’
2. De brief van eiser aan verweerder van 12 november 2015 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
‘Hierbij doe ik U de nadere gronden toekomen op het eerder ingediende bezwaarschrift dd. 28 augustus ll..
Het bezwaar is gericht tegen het niet toekennen van de verzilveringsregeling.
Deze gronden zijn op 13 oktober ll. ook al ingediend. Tot op heden is op het bezwaarschrift nog geen beslissing genomen. Ik stel u thans in gebreke.’
Geschil
3. In geschil is of verweerder een dwangsom heeft verbeurd.
Beoordeling van het geschil
4. Artikel 4.17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
‘1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, (…).
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.’
5. In de wetsgeschiedenis van artikel 4.17 van de Awb is ten aanzien van de ingebrekestelling, het volgende opgenomen:
‘Aan de inhoud van de ingebrekestelling zijn geen bijzondere wettelijke eisen gesteld. Het spreekt echter vanzelf dat van een ingebrekestelling in de zin van de wet slechts sprake kan zijn, indien voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit zij betrekking heeft.’(Kamerstukken II 2004/2005, 29934, nr. 6, p. 12)
6. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar van eiser zich richt tegen het niet toekennen van een tegemoetkoming specifieke zorgkosten (de verzilveringsregeling). Dienaangaande is in het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten het volgende bepaald:
‘Artikel 3
1. De tegemoetkoming wordt door de inspecteur vastgesteld bij beschikking. (…)
(…)
3. De inspecteur stelt de tegemoetkoming vast binnen zes maanden na het tijdstip waarop de aanslag inkomstenbelasting van de belastingplichtige onherroepelijk is geworden. (…).
(…).’
7. In zijn brieven van 13 oktober 2015 en 12 november 2015 geeft eiser aan dat zijn bezwaar is gericht tegen het niet toekennen van de verzilveringsregeling. Op grond van artikel 3 van Pro het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten kan de tegemoetkoming specifieke zorgkosten echter pas worden vastgesteld nadat de aanslag inkomstenbelasting onherroepelijk is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, bij afwezigheid van een onherroepelijk geworden aanslag, ten aanzien van een te nemen beslissing met betrekking tot de verzilveringsregeling dan ook niet in gebreke is geweest.
8. Voor zover de ingebrekestelling zou zien op het doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 is deze naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk. Niet duidelijk is immers welke beslissing door verweerder zou moeten worden genomen. Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4.17, derde lid, van de Awb is onder die omstandigheden geen sprake.
9. Gelet op het voorgaande is verweerder geen dwangsom verbeurd en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.