ECLI:NL:RBDHA:2018:2113
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek medenaturalisatie wegens gevaar voor openbare orde
Eiser, geboren in 1999 en van Turkse nationaliteit, heeft een verzoek tot medenaturalisatie ingediend nadat zijn vader het Nederlanderschap had verkregen. Verweerder wees dit verzoek af op grond van artikel 11, derde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat eiser korter dan vier jaar voor de beslissing een taakstraf had uitgevoerd en daardoor een ernstig vermoeden bestond dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde.
Eiser voerde aan dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord en dat het beleid omtrent de rehabilitatietermijn van vier jaar onredelijk is, mede omdat hij destijds jong was en geen goede juridische bijstand had. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van het horen kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat het beleid niet onredelijk is, waarbij individuele omstandigheden zijn meegewogen maar niet tot afwijking van het beleid leidden.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat verweerder zich redelijk heeft opgesteld in de afwijzing van het verzoek tot medenaturalisatie. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en de uitspraak is gedaan door rechter L.B.M. Klein Tank op 16 februari 2018.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om medenaturalisatie wordt ongegrond verklaard vanwege ernstige vermoedens dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde.