ECLI:NL:RBDHA:2018:2123
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op grond van Dublinverordening inzake asielaanvraag Duitsland
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser meerdere asielaanvragen in verschillende Europese landen had gedaan, waaronder Duitsland en Italië. Duitsland had een verzoek tot terugname van eiser ingediend dat was aanvaard.
Eiser voerde aan dat hij vreest dat Duitsland zijn asielaanvraag niet zorgvuldig zal behandelen en dat hij daar geen opvang en rechtsbijstand zal krijgen, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren. Hij stelde ook dat hij psychische problemen heeft en verwees naar het arrest Tarakhel van het EHRM. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete feiten en documenten had overgelegd om aan te tonen dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt.
De rechtbank vond dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat verweerder terecht geen aanleiding zag om het verzoek onverplicht aan zich te trekken. Ook de psychische problematiek van eiser was onvoldoende onderbouwd om aanvullende garanties te rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak werd gedaan door rechter Klein Tank op 21 februari 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland is ongegrond verklaard.