ECLI:NL:RBDHA:2018:2608
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Sleeswijk Visser-de Boer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan bij bijstandsuitkering
Eiseres, een Poolse gemeenschapsonderdaan, verbleef in Nederland en ontving een bijstandsuitkering. Verweerder stelde vast dat zij nooit rechtmatig verblijf had gehad vanaf 31 juli 2014, omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank overwoog dat rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht automatisch ontstaat en eindigt bij het niet meer voldoen aan de voorwaarden.
De rechtbank stelde vast dat eiseres tot 31 juli 2014 rechtmatig verblijf had als werknemer, maar dat haar werkzaamheden daarna niet als reële arbeid konden worden aangemerkt. Ook had zij niet aangetoond werkzoekende te zijn met een reële kans op werk. Haar bijstandsontvangst en het feit dat haar partner ook een uitkering ontving, maakte dat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als economisch niet-actieve.
Eiseres voerde persoonlijke omstandigheden aan zoals zwangerschap en rugklachten, maar de rechtbank vond dat deze niet tot een belangenafweging leidden omdat het verblijfsrecht niet actief was beëindigd. Ook werd overwogen dat de inmenging in haar rechten gerechtvaardigd was in het belang van het economisch welzijn van Nederland. Eiseres en haar gemachtigde verschenen niet bij de zitting, maar verweerder had voldoende gelegenheid gegeven tot het toelichten van het bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit dat haar rechtmatig verblijf is geëindigd wordt ongegrond verklaard.