Art. 6 lid 1 TOSArt. 6 lid 4 TOSArt. 3 TOSArt. 1 sub a Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschapArt. 8.1.b Rijkswet op het Nederlanderschap
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit na verlies door TOS
Verzoeker, geboren in Suriname en oorspronkelijk Nederlands van geboorte via zijn vader, verloor de Nederlandse nationaliteit op 25 november 1975 door de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS) tussen Nederland en Suriname. Op dat moment was hij minderjarig en woonde in Suriname, waardoor hij van rechtswege de Surinaamse nationaliteit verkreeg en de Nederlandse verloor.
Verzoeker stelde dat hij in 1986 meerderjarig werd en dat hem op grond van artikel 6 lid 4 vanPro de TOS de mogelijkheid stond om alsnog te opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Hij voerde aan dat hij in 1988 daadwerkelijk had geopteerd, hoewel hij geen bewijsstukken kon overleggen.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de officier van justitie stelden dat verzoeker niet tot de categorie behoorde die op grond van artikel 6 lid 4 TOSPro kon opteren, omdat deze bepaling alleen geldt voor minderjarige kinderen die door de werking van de TOS een andere nationaliteit kregen dan zij zouden hebben gehad als zij meerderjarig waren geweest op het moment van inwerkingtreding. Dit was niet het geval bij verzoeker.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker op 25 november 1975 minderjarig was en de Surinaamse nationaliteit verkreeg en de Nederlandse verloor volgens artikel 6 lid 1 TOSPro. Indien hij meerderjarig was geweest, zou hij eveneens de Surinaamse nationaliteit hebben verkregen volgens artikel 3 TOSPro. Daarom stond de optiemogelijkheid van artikel 6 lid 4 TOSPro niet open voor verzoeker. Ook was niet gebleken dat verzoeker op andere gronden Nederlander was geworden. Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen omdat verzoeker de Nederlandse nationaliteit verloor door de TOS en niet kon opteren.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 17-195
Zaaknummer: C/09/531081
Datum beschikking: 8 maart 2018
Beschikking op het op 24 april 2017 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker]
verzoeker,
wonende te [woonplaats] , Suriname,
advocaat mr. M. Adnyana-Flipse te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door mr. drs. C.J. Cappon.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 20 september 2017 van de IND;
- de conclusie van de officier van justitie van 15 december 2017;
- de fax van 13 januari 2018, met bijlage, van verzoeker.
Op 25 januari 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoeker en mr. drs. C.J. Cappon namens de IND. Verzoeker was niet ter zitting aanwezig, omdat hem geen visum is verstrekt om Nederland in te reizen.
De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.
Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.
De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.
Feiten
Verzoeker is geboren op [geboortedatum] te Suriname.
Verzoeker verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit door afstamming van zijn (op dat moment) Nederlandse vader ex artikel 1 sub a vanPro de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap.
Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS) in werking.
Verzoeker woonde op dat moment samen met zijn vader (en de overige leden van het gezin) in Suriname. Verzoeker volgde daarom op 25 november 1975 als minderjarige van rechtswege zijn vader in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit en het verlies van de Nederlandse nationaliteit, op grond van de verdragsbepalingen van de TOS.
Op 10 februari 1986 werd verzoeker (volgens de definitie in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de TOS) meerderjarig.
Op 11 juli 1986 is verzoeker naar Nederland gekomen op basis van een Surinaams paspoort met een reisvisum voor een maand.
Na aankomst in Nederland heeft verzoeker aanvragen gedaan voor respectievelijk toelating als vluchteling en een reguliere verblijfsvergunning. Beide aanvragen zijn afgewezen.
Op 19 november 1988 heeft verzoeker een verzoek tot naturalisatie tot Nederlander ingediend. Bij brief van de staatssecretaris van Justitie van 13 november 1989 is verzoeker medegedeeld dat hij niet voor naturalisatie kon worden voorgedragen omdat hij niet voldeed aan de wettelijke voorwaarde van rechtmatig verblijf voor onbepaalde tijd binnen het Koninkrijk ex artikel 8.1.b RWN.
Beoordeling
In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan.
Bij de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975, was verzoeker minderjarig en woonde hij in Suriname. Op grond van artikel 6, lid 1, TOS volgde verzoeker zijn vader in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit. Toen hij meerderjarig werd (volgens de TOS) heeft verzoeker zich in 1986 gewend tot de Nederlandse autoriteiten om kenbaar te maken dat hij wilde opteren voor de Nederlandse nationaliteit ingevolge artikel 6 lid 4 vanPro de TOS. Verzoeker stelt voorts dat hij in 1988 daadwerkelijk heeft geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit, maar dat hij niet beschikt over stukken die aantonen dat hij een optieverklaring heeft afgelegd.
De IND stelt zich op het standpunt dat verzoeker bij de inwerkingtreding van de TOS op grond van artikel 6, lid 1, juncto artikel 3 TOSPro van rechtswege de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen. Verzoeker behoort niet tot de categorie personen die op grond van artikel 6, lid 4, TOS (alsnog) kon opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker was op 25 november 1975 minderjarig en woonde in Suriname. Indien hij op dat tijdstip meerderjarig was geweest zou hij eveneens van rechtswege de Surinaamse nationaliteit hebben verkregen ex artikel 3 vanPro de TOS.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat verzoeker op 25 november 1975 minderjarig was, in Suriname woonde en derhalve, evenals zijn vader, op dat moment op grond van artikel 6 lid 1 vanPro de TOS, de Surinaamse nationaliteit verkreeg en de Nederlandse nationaliteit verloor. Daarnaast staat vast dat als verzoeker op dat moment meerderjarig zou zijn geweest, hij ook, op grond van artikel 3 vanPro de TOS, de Surinaamse nationaliteit zou hebben verkregen. Artikel 6 lid 4 vanPro de TOS berust niet op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden enkel daardoor de gelegenheid moet worden geboden alsnog te opteren voor een nationaliteit die afwijkt van die van de vader of eventueel de moeder. Het artikel beoogt slechts een correctiemogelijkheid te bieden voor gevallen waarin de werking van de leden 1 en 2 van artikel 6 vanPro de TOS ertoe leidt dat een minderjarig kind een andere nationaliteit verkrijgt dan het zou hebben verkregen indien het reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van inwerkingtreding van de TOS. Dat is echter, zoals hiervoor is weergegeven, bij verzoeker niet het geval, zodat voor hem de optiemogelijkheid van artikel 6 lid 4 vanPro de TOS niet open stond of staat.
Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker op een andere grond het Nederlanderschap zou hebben verkregen.
Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, M.P. Verloop en J.C. Sluymer, bijgestaan door P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2018.