Uitspraak
Beschikking op het op 24 april 2017 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker]
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Procedure
Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie
Feiten
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] te Suriname.
- Verzoeker verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit door afstamming van zijn (op dat moment) Nederlandse vader ex artikel 1 sub a van Pro de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap.
- Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS) in werking.
- Verzoeker woonde op dat moment samen met zijn vader (en de overige leden van het gezin) in Suriname. Verzoeker volgde daarom op 25 november 1975 als minderjarige van rechtswege zijn vader in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit en het verlies van de Nederlandse nationaliteit, op grond van de verdragsbepalingen van de TOS.
- Op 10 februari 1986 werd verzoeker (volgens de definitie in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de TOS) meerderjarig.
- Op 11 juli 1986 is verzoeker naar Nederland gekomen op basis van een Surinaams paspoort met een reisvisum voor een maand.
- Na aankomst in Nederland heeft verzoeker aanvragen gedaan voor respectievelijk toelating als vluchteling en een reguliere verblijfsvergunning. Beide aanvragen zijn afgewezen.
- Op 19 november 1988 heeft verzoeker een verzoek tot naturalisatie tot Nederlander ingediend. Bij brief van de staatssecretaris van Justitie van 13 november 1989 is verzoeker medegedeeld dat hij niet voor naturalisatie kon worden voorgedragen omdat hij niet voldeed aan de wettelijke voorwaarde van rechtmatig verblijf voor onbepaalde tijd binnen het Koninkrijk ex artikel 8.1.b RWN.