De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster, die sinds 1991 in Nederland verbleef en bij haar grootouders woonde. De Hoge Raad vernietigde een eerdere beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling, met name vanwege onvoldoende motivering over het feitelijk behoren tot het gezin van de grootouders.
Verzoekster stelde dat zij vanaf haar aankomst in Nederland tot haar huwelijk in 2012 bij haar grootouders woonde en dat zij op grond van inschrijving in de basisregistratie personen en verklaringen van derden kon aantonen dat zij feitelijk tot dat gezin behoorde. De IND betwistte dit en stelde dat verzoekster altijd tot het gezin van haar ouders behoorde, die geen Nederlandse nationaliteit hadden, en dat verzoekster nooit een geldige verblijfsstatus had gehad.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet voldeed aan het vereiste dat zij het voorafgaande jaar als kind feitelijk tot het gezin van een in Nederland wonende Nederlander behoorde, omdat zij samen met haar ouders woonde die een zelfstandig gezin vormden. Hierdoor had zij geen verblijfsstatus voor onbepaalde tijd en is zij niet meegenaturaliseerd met haar moeder op 13 maart 1996.
De rechtbank wees daarom het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af en wees ook het verzoek tot veroordeling van de IND in proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 8 maart 2018.