ECLI:NL:RBDHA:2018:2744

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2018
Publicatiedatum
9 maart 2018
Zaaknummer
AWB 18/1321
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRegeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging opvang asielzoeker wegens vorstcoulance

Eiseres, een Iraanse asielzoeker, stelde beroep in tegen de beëindiging van haar opvang in een asielzoekerscentrum per 23 februari 2018. De opvang werd beëindigd op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. De asielaanvraag van eiseres was eerder afgewezen en dit besluit stond in rechte vast.

De voorzieningenrechter had eerder de geplande beëindiging van de opvang geschorst tot na een medisch onderzoek en een nieuwe beslissing van verweerder. Op 21 februari 2018 meldde verweerder echter dat vanwege vorstcoulance geen ontruimingen zouden plaatsvinden, waardoor de geplande beëindiging van de opvang van eiseres op 23 februari 2018 niet doorging.

De rechtbank oordeelde dat eiseres hierdoor geen belang meer had bij de beoordeling van het beroep, omdat geen concrete datum voor beëindiging was genoemd en zij tijdig geïnformeerd zou worden bij een toekomstige beëindiging. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde verweerder in de proceskosten van € 501,-.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de geplande ontruiming niet doorgaat en eiseres geen belang meer heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/1321

uitspraak van de rechtbank van

in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [datum] 1973,
v-nummer [nummer] ,
van Iraanse nationaliteit,
eiseres,
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

verweerder.

Procesverloop

Op 20 februari 2018 heeft verweerder eiseres mondeling medegedeeld dat haar opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 per 23 februari 2018 wordt beëindigd.
Eiseres heeft hier op 21 februari 2018 beroep tegen ingesteld.

Overwegingen

1. In artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, onder meer, bepaald dat de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, het onderzoek kan sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk ongegrond is.
2. De asielaanvraag van eiseres is door verweerder afgewezen op 10 mei 2017 en dit besluit staat in rechte vast.
3. Bij uitspraak van 6 oktober 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, de eerder op 9 oktober 2017 geplande beëindiging van de opvang geschorst tot vier weken nadat een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en verweerder op basis daarvan een nieuwe beslissing heeft genomen over de opvang van eiseres.
4. Op 20 februari 2018 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar opvang in het asielzoekerscentrum op 23 februari 2018 wordt beëindigd.
5. In reactie op het daartegen door eiseres ingediende beroep heeft verweerder de rechtbank bij faxbericht van 21 februari 2018 het volgende medegedeeld:
“Hierbij bevestig ik dat het COa vanaf heden geen bewoners zal ontruimen vanwege vorstcoulance. Vorstcoulance houdt in dat tijdens een periode van vorst in geheel Nederland geen bewoners zullen worden ontruimd. De geplande ontruiming van [eiseres] op 23 februari 2018 zal geen doorgang vinden. Als de periode van vorstcoulance eindigt zal de advocaat worden ingelicht zodat deze tijdig een spoedvovo kan indienen.”
6. Omdat in verweerders faxbericht van 21 februari 2018 staat dat ‘de geplande ontruiming van eiseres op 23 februari 2018 geen doorgang [zal] vinden
’,is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep. Door dit bericht staat namelijk vast dat haar opvang niet op 23 februari 2018 eindigt. Verweerder heeft geen concrete (andere) datum genoemd waarop beëindiging van de opvang zal plaatsvinden. Verweerder stelt expliciet dat ook haar gemachtigde tijdig over een eventuele toekomstige beëindiging van de opvang zal worden geïnformeerd. Bij deze stand van zaken heeft eiseres geen belang bij de beoordeling van haar beroep. Of inmiddels het medisch onderzoek heeft plaatsgevonden waartoe de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, verweerder bij uitspraak van 6 oktober 2017 heeft verplicht en zo nee, wat daarvan de reden is, zijn vragen die aan de orde kunnen komen bij een eventuele beëindiging van haar opvang en eventueel daartegen door haar in te stellen rechtsmiddelen.
7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat aanleiding bestaat om het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten en stelt deze vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De reden daarvoor is dat verweerder hangende het beroep heeft laten weten niet tot beëindiging van de opvang over te gaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van
€ 501,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van
mr. M.F. van den Brink, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.