Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 19 maart 2017 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. De Taliban zette de vader van eiser onder druk om eisers oom, die werkzaam is als officier bij het Afghaanse leger, aan hen over te dragen. Toen hij dat bleef weigeren, heeft de Taliban eiser meegenomen om hem militaire trainingen te geven en op te leiden tot kindsoldaat, om zo zijn vader verder onder druk te zetten. Nadat hij ongeveer acht maanden bij de Taliban was geweest, hebben zij hem ernstig mishandeld en in een bosachtig gebied voor dood achtergelaten. Hij is toen gevonden door een herder die hem naar het ziekenhuis heeft gebracht. In de periode dat eiser in het ziekenhuis lag, heeft IS de macht in zijn dorp overgenomen. Toen eiser terugkwam naar het dorp moest hij van IS naar de door hen opgerichte madrassa gaan, waar hij weer militaire trainingen kreeg. Op een zeker moment heeft IS hem opgedragen een zelfmoordaanslag te plegen. Dit was de directe aanleiding voor het vertrek van eiser uit Afghanistan.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers verklaringen over de ontvoering door de Taliban en de rekrutering door IS acht verweerder niet geloofwaardig.
Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is. Daartoe acht de rechtbank met name van belang dat eiser zowel over de ontvoering door de Taliban als over de rekrutering door IS zeer weinig heeft verklaard. Op veel van de gestelde vragen geeft eiser geen, dan wel zeer summier antwoord. Eiser weet vrijwel niets te vertellen over de periode dat hij bij de Taliban verbleef: zo weet hij de namen niet van de jongeren met wie hij samen reisde, weet hij niet hoe veel leden van de Taliban er in de kamer waren waar hij aankwam of hoe veel mensen van de Taliban de wapentrainingen verzorgden die hij dagelijks moest volgen. Nu eiser stelt gedurende acht maanden in handen van de Taliban te zijn geweest, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat van hem mag worden verwacht dat hij meer vragen weet te beantwoorden en meer details kan geven over deze periode. Ook ten aanzien van de problemen die eiser stelt van de zijde van IS te hebben ondervonden, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser te summier heeft verklaard. Ook hier gaat het om een periode van acht maanden, waarin hij zes dagen per week naar de madrassa ging. Van hem mag bijvoorbeeld verwacht worden dat hij kan vertellen hoe veel jongens er in zijn klas zaten en wie dat waren.
Eiser heeft in beroep betoogd dat vanwege een combinatie van factoren, te weten de traumatische ervaringen, zijn jonge leeftijd en het feit dat hij stottert, niet aan hem had mogen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft verklaard. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Uit de rapporten van zowel het nader als het aanvullend gehoor blijkt dat de gehoren op een zorgvuldige wijze zijn afgenomen. Eiser heeft de ruimte gekregen om zijn verhaal te vertellen en de hoormedewerker heeft adequaat gereageerd als eiser aangaf druk te voelen en moeite te hebben met het vertellen van zijn verhaal vanwege het stotteren. Bovendien blijkt uit het advies van de Forensische Medische Maatschappij Utrecht van 3 april 2017 dat er geen sprake is van beperkingen die relevant zijn voor het horen of beslissen. Ook heeft eiser geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat er sprake zou zijn van psychische problematiek vanwege traumatische ervaringen.
Eiser heeft in beroep verder aangevoerd dat zijn asielrelaas past in hetgeen bekend is over Afghanistan in de periode dat hij daar verbleef. Hij verwijst daartoe naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van het ministerie van Buitenlandse Zaken van november 2016 en een rapport van Landinfo uit 2017 getiteld “Afghanistan: Taliban’s Intelligence and the intimidation campagne”. Dat eisers relaas zou passen binnen het beeld dat uit deze bronnen naar voren komt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het relaas geloofwaardig te maken. Het is immers aan eiser om zijn relaas middels zijn eigen verklaringen aannemelijk te maken.
Tot slot heeft eiser verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 23 januari 2018 (NL17.15549 en NL17.15551, niet gepubliceerd) waarbij voorlopige voorzieningen zijn toegewezen in afwachting van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan. Eiser verzoekt de rechtbank, subsidiair, zijn zaak aan te houden in afwachting van de Afdelingsuitspraak. Nu onduidelijk is op welke termijn de Afdeling uitspraak zal doen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep van eiser aan te houden.
Het beroep is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.