ECLI:NL:RBDHA:2018:2992

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 maart 2018
Publicatiedatum
14 maart 2018
Zaaknummer
C/09/547339 / FT RK 18/210
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Faillissementswet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw bij belastingschulden

Verzoeker heeft op 1 februari 2018 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek op 22 februari 2018 behandeld en verzoeker gehoord. Volgens artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro moet verzoeker aannemelijk maken dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw is geweest met betrekking tot het ontstaan en onbetaald laten van schulden.

Verzoeker overlegt een schuldenoverzicht waaruit blijkt dat een aanzienlijk deel van de schulden bestaat uit belastingschulden aan de belastingdienst, waaronder 26 naheffingsaanslagen omzetbelasting ter hoogte van €51.168,-. Deze aanslagen betreffen de periode februari 2011 tot februari 2015, terwijl de onderneming van verzoeker per 16 oktober 2012 is opgeheven.

Verzoeker kon geen duidelijke verklaring geven waarom na de opheffing van zijn eenmanszaak deze naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Hoewel bezwaar is gemaakt tegen de aanslagen, is slechts een deel daarvan gehonoreerd. Tegen de overige aanslagen is niet in beroep gegaan vanwege verstrijking van de termijn. Verzoeker kon niet verklaren waarom bezwaar niet werd gehonoreerd en waarom geen beroep is ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de reden van de naheffingsaanslagen en het ontstaan van de belastingschulden. Gezien het grote aandeel van deze belastingschulden in de totale schuldenlast, is een duidelijke toelichting noodzakelijk. Het ontbreken daarvan leidt tot de conclusie dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te zijn geweest. Daarom wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij belastingschulden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer
rekestnummer: C/09/547339 / FT RK 18/210
nummer verklaring: CDS1800842333
uitspraakdatum: 8 maart 2018
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode en woonplaats]g,
verzoeker,
heeft op 1 februari 2018 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is op 22 februari 2018 behandeld. Verzoeker is gehoord.
Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Deze goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de verzoeker dient te voldoen.
Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de verzoeker wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers te frustreren en dergelijke.
Door of namens verzoeker is een schuldenoverzicht overgelegd. Een van de schulden betreft een schuld aan de belastingdienst ten bedrage van € 81.067,41 in totaal. Volgens belastingoverzichten d.d. 18 april 2017 en 16 februari 2018 staan per laatstgemelde datum 26 naheffingsaanslagen omzetbelasting open. Deze aanslagen die in totaal € 51.168,- bedragen (inclusief rente), hebben volgens die overzichten betrekking op de periode februari 2011 tot en met februari 2015. Volgens een eveneens overgelegd uittreksel uit het handelsregister is de onderneming van de eenmanszaak van verzoeker per 16 oktober 2012 opgeheven. Verzoeker heeft geen duidelijke verklaring kunnen geven waarom hem na opheffing van de eenmanszaak naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn opgelegd. Ter terechtzitting heeft verzoeker aangegeven dat tegen de aanslagen bezwaar is gemaakt en dit bezwaar met betrekking tot een aantal aanslagen is gehonoreerd en voor andere aanslagen niet. Tegen de aanslagen waarvan het bezwaar niet is gehonoreerd, is volgens verzoeker niet in beroep gegaan omdat de daarvoor geldende termijn zou zijn verstreken. Verzoeker weet niet waarom het bezwaar tegen de aanslagen niet is gehonoreerd en waarom niet in beroep is gegaan.
Een naheffingsaanslag omzetbelasting wordt opgelegd indien te laat of geen btw-aangifte wordt gedaan. Dit gebeurt op basis van een door de belastingdienst gemaakte schatting van het btw-bedrag dat moet worden betaald.
Verzoeker heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven omtrent de – na bezwaar klaarblijkelijk in stand gebleven – naheffingsaanslagen omzetbelasting én derhalve ook omtrent de reden waarom deze aanslagen zijn opgelegd nadat de onderneming van de eenmanszaak van verzoeker zou zijn opgeheven. De omstandigheid dat de totale belastingschuld circa 73% van de totale schuldenlast uitmaakt en de aanslagen omzetbelasting circa 46%, maakt een duidelijke toelichting op dit punt nog meer noodzakelijk. Een dergelijke toelichting ontbreekt. Dit leidt er toe dat de rechtbank van oordeel is dat door verzoeker onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de hier bedoelde belastingschulden.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient dus te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats], Nederland,
wonende te [adres]
[postcode en woonplaats].
Gewezen door mr. R. Cats lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2018 in tegenwoordigheid van A.S. Snel, griffier.