ECLI:NL:RBDHA:2018:2992
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw bij belastingschulden
Verzoeker heeft op 1 februari 2018 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek op 22 februari 2018 behandeld en verzoeker gehoord. Volgens artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro moet verzoeker aannemelijk maken dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw is geweest met betrekking tot het ontstaan en onbetaald laten van schulden.
Verzoeker overlegt een schuldenoverzicht waaruit blijkt dat een aanzienlijk deel van de schulden bestaat uit belastingschulden aan de belastingdienst, waaronder 26 naheffingsaanslagen omzetbelasting ter hoogte van €51.168,-. Deze aanslagen betreffen de periode februari 2011 tot februari 2015, terwijl de onderneming van verzoeker per 16 oktober 2012 is opgeheven.
Verzoeker kon geen duidelijke verklaring geven waarom na de opheffing van zijn eenmanszaak deze naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Hoewel bezwaar is gemaakt tegen de aanslagen, is slechts een deel daarvan gehonoreerd. Tegen de overige aanslagen is niet in beroep gegaan vanwege verstrijking van de termijn. Verzoeker kon niet verklaren waarom bezwaar niet werd gehonoreerd en waarom geen beroep is ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de reden van de naheffingsaanslagen en het ontstaan van de belastingschulden. Gezien het grote aandeel van deze belastingschulden in de totale schuldenlast, is een duidelijke toelichting noodzakelijk. Het ontbreken daarvan leidt tot de conclusie dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te zijn geweest. Daarom wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij belastingschulden.