Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaak tussen
[naam 1],
[naam 2]en
[naam 3]
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Iraakse vrouw, heeft asiel aangevraagd na te zijn gevlucht met haar gezin vanwege een dreiging van eerwraak door haar broer, die haar minnaar had gedood. De staatssecretaris wees haar aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van haar verklaringen over de vrees voor eerwraak en het bestaan van een vestigingsalternatief in de Koerdische Autonome Regio.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht de verklaringen van eiseres over de dreiging van eerwraak ongeloofwaardig heeft bevonden, vanwege tegenstrijdigheden tussen haar verklaringen tijdens het relocatiegehoor en het nader gehoor. Ook haar inconsistenties over het informeren van haar echtgenoot en de onwaarschijnlijke omstandigheden rondom haar werk bij een alleenstaande man en de ontdekking van de affaire wegen mee.
Eiseres heeft geen voldoende weerlegging gegeven van het standpunt dat er een vestigingsalternatief bestaat. De rechtbank concludeert dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar asielaanvraag gegrond is op omstandigheden die een verblijfsvergunning rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.