ECLI:NL:RBDHA:2018:3296
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Boete opgelegd wegens overtreding Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag niet gematigd
Eiser is door de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) op 27 juni 2015 geïnspecteerd vanwege vermoedens van onderbetaling van werknemers. Na een administratief onderzoek en het niet tijdig overleggen van gevraagde loon- en urenadministratie legde verweerder een boete op wegens overtreding van artikel 18b, lid 2, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml).
Eiser voerde aan dat het vermoeden van onderbetaling onterecht was, dat de gevraagde documenten onduidelijk waren en dat de boete gematigd moest worden vanwege zijn financiële situatie en beginnende ondernemerschap. De rechtbank oordeelde dat het vermoeden van onderbetaling gegrond was op getuigenverklaringen en dat eiser onvoldoende en te laat de gevraagde bescheiden had overgelegd.
De rechtbank vond de termijn voor het overleggen van documenten niet onredelijk en verwierp het betoog dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld. Ook de overschrijding van de beslistermijn op bezwaar leidde niet tot matiging van de boete, omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen was geschaad.
De rechtbank concludeerde dat eiser terecht een boete is opgelegd wegens zes overtredingen van artikel 18b, lid 2, Wml en dat verweerder de boete niet hoefde te matigen. Het beroep is ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de boete wegens overtreding van artikel 18b, lid 2, Wml.