ECLI:NL:RBDHA:2018:3418
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat Zweden verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval is en verklaarde het beroep ongegrond.
Daarnaast werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat het connexiteitsvereiste niet langer was vervuld. De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Zweden niet voldoet aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel of dat hem na overdracht een onevenredige hardheid te wachten stond. De toepasselijke EU-richtlijnen gelden ook voor Zweden, en eiser kan zich bij problemen tot Zweedse autoriteiten wenden.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 22 maart 2018 door rechter G. de Zeben - de Vries, in aanwezigheid van griffier A. Nobel. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.