ECLI:NL:RBDHA:2018:3471

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 maart 2018
Publicatiedatum
27 maart 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1605
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening opschorting herplaatsingskandidaat bij niet behalen diploma

Verzoeker is bij een reorganisatie in 2014 aangewezen als herplaatsingskandidaat. Hij werd tijdelijk geplaatst in verschillende functies met de voorwaarde dat hij uiterlijk op een bepaalde datum een diploma moest behalen om definitief geplaatst te worden. Hoewel verzoeker tweemaal uitstel kreeg voor het behalen van het diploma, heeft hij het diploma uiteindelijk niet behaald.

Verweerder heeft daarop besloten de herplaatsingsstatus van verzoeker per 1 april 2018 te laten herleven. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om de herplaatsingsstatus op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het terugkomen op een onherroepelijk besluit een bevoegdheid is die slechts terughoudend wordt getoetst.

De rechter ziet geen reden om de voorlopige voorziening toe te wijzen en wijst het verzoek af. Tevens wordt opgemerkt dat verzoeker nog steeds de mogelijkheid heeft het diploma binnen korte termijn te behalen, hetgeen verweerder bij de beslissing op bezwaar kan betrekken. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de diploma-eis rechtsgeldig blijft en niet is herroepen.

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 18/1605
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 maart 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.G.F.M. Hoffmans),
tegen

het college van Burgemeester en Wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigden: W. IJzeren en M. van der Sloot).

Procesverloop

Bij een reorganisatie in 2014 is verzoeker aangewezen als herplaatsingskandidaat.
Bij besluit van 24 maart 2016 is verzoeker door verweerder tijdelijk, voor de duur van het project tot 1 maart 2017, voorlopig geplaatst in de functie van [functie 1]. De status van herplaatsingskandidaat van verzoeker is daarbij tijdelijk opgeheven. Daarbij is vastgelegd dat verzoeker, om vast op de functie te worden geplaatst, uiterlijk 1 februari 2017 het diploma [diploma] (hierna: diploma) moet behalen.
Bij besluit van 17 februari 2017 (verzonden 27 februari) heeft verweerder verzoeker voorlopig geplaatst in de functie [functie 2] met als generieke functie [functie 3].
Bij besluit van 6 november 2017 (verzonden 10 november) heeft verweerder verzoeker met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2017 voorlopig geplaatst in de functie [functie 4].
Op 14 december 2016 heeft verzoeker van verweerder uitstel gekregen voor het behalen van het diploma tot 1 augustus 2017. Later werd uitstel gegeven tot 14 januari 2018.
Tegen geen van bovengenoemde beslissingen heeft verzoeker bezwaar gemaakt, zodat die in rechte vast staan.
Verzoeker heeft het diploma niet behaald.
Op 8 januari 2018 is verzoeker door verweerder medegedeeld dat zijn herplaatsingsstatus vanwege het niet behalen van het diploma, per 1 april 2018 gaat herleven. Dit is bevestigd bij besluit van 19 februari 2018 (het bestreden besluit).
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2 Hoewel aan verzoeker tweemaal uitstel is verleend voor de datum waarop hij het diploma uiterlijk had moeten behalen, is niet gebleken dat verweerder op enigerlei wijze is teruggekomen van het besluit om als voorwaarde voor vaste plaatsing te stellen dat verzoeker genoemd diploma vóór een bepaalde datum zou moeten hebben behaald. De besluiten van 17 februari 2017 en 6 november 2017 bevatten geen uitdrukkelijke herroeping van de diploma-eis. Beide besluiten vermelden dat de rechtspositie van verzoeker niet wijzigt.
De voorzieningenrechter overweegt dat het terugkomen van een in rechte onaantastbaar besluit een bevoegdheid betreft en dat de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst.
Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter er op dat ter zitting is gebleken dat verzoeker nog immer de mogelijkheid heeft binnen (zeer) korte termijn het diploma te behalen.
Het is aan verweerder om, indien verzoeker hierin slaagt voordat de beslissing op bezwaar wordt genomen, dit al dan niet bij deze beslissing te betrekken en daarbij de vraag te beantwoorden of verzoeker zich er van bewust moet zijn geweest dat na 14 januari 2018 geen nader uitstel zou worden verleend.
3 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
4 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.