ECLI:NL:RBDHA:2018:3486
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens verblijfsgat
Eiser, een Chinese nationaliteit, had van 28 juli 2011 tot 28 juli 2014 een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst. Van 28 juli 2014 tot 8 december 2014 was eiser niet in het bezit van een geldige verblijfsvergunning, waardoor een verblijfsgat ontstond. Vanaf 8 december 2014 had eiser weer een verblijfsvergunning.
Verweerder wees de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene af omdat eiser niet onafgebroken vijf jaar rechtmatig in Nederland verbleef. Eiser voerde aan dat het ontbreken van een verblijfsvergunning niet betekent dat hij niet rechtmatig verbleef en dat verweerder ten onrechte het bezit van een vergunning als criterium hanteerde.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode zonder geldige vergunning rechtmatig verbleef. Ook faalde het betoog dat verweerder geen nieuwe weigeringsgronden mocht gebruiken. Daarnaast werd het beroep verworpen wegens gebrek aan onderbouwing van de stellingen over belangenafweging, evenredigheid en motivering.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wordt ongegrond verklaard vanwege een verblijfsgat zonder rechtmatig verblijf.