ECLI:NL:RBDHA:2018:4003

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2018
Publicatiedatum
9 april 2018
Zaaknummer
nl18.2623
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 29 VwArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 15c Richtlijn 2001/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op grond van homoseksuele geaardheid en bescherming Surinaamse autoriteiten

Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende man, heeft op 20 mei 2016 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen binnen zijn familie. Hij stelde mishandeling en bedreiging door familieleden te hebben ondervonden en verblijft momenteel bij zijn Nederlandse partner.

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag op 1 februari 2018 af, omdat hoewel de verklaringen van eiser geloofwaardig werden bevonden, de problemen onvoldoende zwaarwegend waren om bescherming te rechtvaardigen. De autoriteiten in Suriname konden volgens verweerder bescherming bieden, en er was geen sprake van een situatie die artikel 3 EVRM Pro schendt.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende inspanningen had verricht om bescherming in zijn land van herkomst te verkrijgen, zoals het indienen van klachten tegen politieoptreden. Tevens was het beroep op artikel 15c van Richtlijn 2001/95/EU en artikel 8 EVRM Pro niet onderbouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep op asiel wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van een reëel risico en het ontbreken van bewijs dat bescherming in Suriname ontbreekt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.2623

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

ProcesverloopEiser heeft beroep ingesteld tegen het in de algemene asielprocedure genomen besluit van

1 februari 2018 (het bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft op 20 mei 2016 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij hierdoor binnen zijn familie problemen heeft ondervonden. Eiser heeft verklaard door zijn ouders en andere familieleden te zijn mishandeld en bedreigd.
Eiser verblijft thans bij zijn Nederlandse partner.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen geloofwaardig zijn, maar dat zijn problemen onvoldoende zwaarwegend zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Eiser kan de bescherming van de Surinaamse autoriteiten inroepen. Niet is gebleken dat de autoriteiten deze bescherming niet kunnen of willen bieden. Van een situatie zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geen sprake. Er is evenmin aanleiding om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM te verlenen, aldus verweerder.
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op wat hij in beroep heeft aangevoerd zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan.
5. Zoals verweerder in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het US Department of State Human Rights Report van 2016 (lees: Country Reports on Human Rights for 2016), terecht heeft overwogen, heeft eiser onvoldoende inspanningen verricht om hulp dan wel bescherming te krijgen in zijn land van herkomst. Zo had eiser bijvoorbeeld tegen het gedrag van de politieagenten die hij benaderd heeft een klacht kunnen indienen bij het ‘Personnel Investigation Department’. Niet worden ingezien dat eiser zich tot geen enkele instantie in zijn land van herkomst heeft kunnen wenden om zijn situatie te verbeteren.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in beroep niet onderbouwd waarom hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade of een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Het beroep van eiser op artikel 15c van Richtlijn 2001/95/EU is evenmin onderbouwd.
7. Het beroep van eiser op artikel 8 van Pro het EVRM faalt eveneens, nu slechts wordt verwezen naar de eerder ingediende zienswijze waarop verweerder reeds in het bestreden besluit afdoende heeft gereageerd.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als ongegrond en terecht bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel