Eiser vroeg een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan voor een chauffeurskaart bij een bedrijf. Verweerder wees de aanvraag af op grond van eerdere veroordelingen wegens diefstal en poging tot diefstal, die volgens hem een risico vormen voor de functie. Eiser voerde aan dat hij in eerste aanleg was vrijgesproken en dat dit volgens het beleid doorslaggevend moet zijn, mede gezien zijn positieve persoonlijke ontwikkelingen en het tijdsverloop sinds de feiten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het subjectieve criterium heeft toegepast en dat de eerdere veroordelingen, waaronder een onherroepelijke veroordeling tot gevangenisstraf en taakstraf, zwaarder wegen dan het belang van eiser. De rechtbank vond dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft geweigerd en dat de positieve ontwikkelingen van eiser onvoldoende reden zijn om de VOG toe te kennen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter T. van Rij en griffier M. de Graaf op 11 april 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.