ECLI:NL:RBDHA:2018:4326
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang
Eiser, van Togolese afkomst, kreeg per 1 september 2015 een verblijfsvergunning voor studie. Verweerder trok deze vergunning met ingang van 31 augustus 2016 in omdat de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) zich als referent had afgemeld wegens onvoldoende studievoortgang van eiser in het collegejaar 2015-2016.
Eiser stelde dat hij opnieuw was toegelaten tot de studie en collegegeld had betaald, en dat de EUR begrip toonde voor zijn situatie. De rechtbank stelde vast dat de EUR zich per 31 augustus 2016 had afgemeld als referent en dat de inschrijving van eiser voor het collegejaar 2016-2017 was opgeheven vanwege onvoldoende studievoortgang.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht en op goede gronden de verblijfsvergunning had ingetrokken, omdat eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning wegens onvoldoende studievoortgang en verklaart het beroep ongegrond.