ECLI:NL:RBDHA:2018:4477
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar in Egypte
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na bedreigingen door zijn oom vanwege de verkoop van een stuk grond. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de vrees voor vervolging niet reëel werd geacht, ondanks de erkende bedreigingen.
De rechtbank overwoog dat eiser sinds 2008 in Spanje en Nederland verbleef zonder eerder asiel aan te vragen, wat duidt op het ontbreken van een acute vrees. De problemen met zijn oom werden als privéconflict beoordeeld en eiser kon bescherming van de Egyptische autoriteiten inroepen. De verklaringen van eiser en zijn moeder werden geloofwaardig geacht, maar onvoldoende onderbouwd om een reële vervolgingsvrees aan te nemen.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de afwijzing als kennelijk ongegrond terecht was vanwege het illegale verblijf van eiser in Nederland en het niet tijdig aanvragen van internationale bescherming. Ook werd het niet ambtshalve toetsen van een reguliere verblijfsvergunning niet onrechtmatig bevonden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanvraag definitief afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen.