Eiseres ontving studiefinanciering vanaf 1 oktober 2016 als uitwonende studente, ingeschreven op een BRP-adres. Na een controle op 4 september 2017 werd de studiefinanciering aangepast naar de norm van thuiswonende studente vanaf 1 oktober 2016, met terugvordering van teveel ontvangen bedragen. Eiseres maakte bezwaar tegen deze herziening en het voornemen tot boete.
De rechtbank beoordeelde het bewijs en concludeerde dat eiseres, ondersteund door verklaringen van haar opa en zwager, overtuigend heeft aangetoond dat zij van 1 oktober 2016 tot medio juni 2017 daadwerkelijk op het BRP-adres heeft gewoond. De verklaringen waren consistent en geloofwaardig, ook in het licht van het huisbezoek en de omstandigheden rondom verhuizing.
Gelet hierop had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen en de herziening van de studiefinanciering slechts moeten beperken tot de periode vanaf 1 juli 2017. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en wees de zaak terug naar verweerder voor een nieuwe beslissing op bezwaar. Er werden geen proceskosten toegekend.