ECLI:NL:RBDHA:2018:4580
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot uitoefening van het recht van erfgenaam wegens onvoldoende bewijs onzekerheid bestaan erfgenaam
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van meerdere erfgenamen om machtiging tot het uitoefenen van het recht van erfgenaam namens een vermiste erfgenaam. De vermiste erfgenaam, geboren in 1923, is sinds 1946 uit beeld en er is onderzoek gedaan naar zijn bestaan en dat van zijn nakomelingen.
Verzoekers stelden dat het bestaan van de vermiste onzeker is en vroegen machtiging om namens hem te handelen. Uit onderzoek bleek dat de vermiste een zoon had die mogelijk ook erfgenaam is. Verzoekers hadden deze zoon echter niet als erfgenaam in de procedure betrokken.
De rechtbank oordeelde dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het bestaan van deze zoon onzeker is. Omdat de procedure niet volledig was door het ontbreken van deze erfgenaam, wees de rechtbank het verzoek af.
De beslissing is genomen na mondelinge behandeling waarbij verzoekers niet aanwezig waren. De rechtbank is bevoegd omdat de woonplaats van de vermiste niet vastgesteld kon worden.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot uitoefening van het recht van erfgenaam wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het onzeker bestaan van een erfgenaam.