ECLI:NL:RBDHA:2018:4704
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van opvolgende asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid Italië volgens Dublinverordening
Eisers dienden opvolgende asielaanvragen in nadat eerder was vastgesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvragen op grond van de Dublinverordening. Verweerder nam deze opvolgende aanvragen niet in behandeling op basis van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat eisers geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden hadden aangevoerd.
De rechtbank overwoog dat de eerdere beslissingen inhoudelijk waren gebaseerd op de Dublinverordening en dat de opvolgende aanvragen feitelijk gericht waren op het herroepen van deze overdrachtsbeslissing. Het toepassen van artikel 4:6 Awb Pro is daarom gerechtvaardigd om te voorkomen dat de rechter opnieuw over hetzelfde besluit zou oordelen.
De rechtbank verwierp het verweer van eisers dat sprake zou zijn van nieuwe feiten, waaronder het feit dat de dochter van eisers wel in behandeling werd genomen, omdat dit geen relevant nieuw feit is in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. Ook het beroep op de termijnoverschrijding van twaalf maanden uit artikel 13 van Pro de Dublinverordening werd afgewezen omdat de definitieve beslissing over de verantwoordelijkheid van Italië binnen deze termijn was genomen.
De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van opvolgende asielaanvragen worden ongegrond verklaard.