ECLI:NL:RBDHA:2018:4728
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende gezinsband en afhankelijkheid
Eiser, een jongvolwassene van Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning om bij zijn vader in Nederland te verblijven. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en geen beroep kon doen op artikel 8 EVRM Pro wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke gezinsband.
De rechtbank overwoog dat eiser sinds 2003 tot 2014 bij zijn moeder in Suriname woonde en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij altijd feitelijk tot het gezin van zijn vader heeft behoord. Ook ontbraken de noodzakelijke bijkomende elementen van afhankelijkheid die volgens jurisprudentie vereist zijn voor bescherming op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Verder woog de rechtbank het belang van eiser bij voortzetting van zijn privéleven in Nederland af tegen het belang van verweerder bij een restrictief toelatingsbeleid. Gezien het korte verblijf van eiser in Nederland en zijn meerderjarigheid, vond de rechtbank dat verweerder terecht het belang van het toelatingsbeleid zwaarder heeft laten wegen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser werd vrijgesteld van griffierechten wegens betalingsonmacht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.