Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Bewijsoverwegingen
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de geweldshandelingen jegens aangever, die openlijk op straat hebben plaatsgevonden, hebben bestaan uit het stompen/slaan tegen het hoofd en/of lichaam, het duwen, het vasthouden en het steken met een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen het hoofd, de schouder, de rug en elders op het lichaam. Daarnaast volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de groep in ieder geval heeft bestaan uit verdachte en zijn broer enerzijds en aangever en zijn vriendin [slachtoffer 2] anderzijds, waarbij verdachte en zijn broer, nadat verdachte kort daarvoor een woordenwisseling had gehad met aangever en zijn vriendin en zijn broer erbij had gehaald, de confrontatie met aangever en zijn vriendin zijn aangegaan. Vervolgens is bij deze confrontatie door zowel verdachte als zijn broer geweld gebruikt tegen aangever. Zo heeft aangever verklaard dat hij klappen heeft gekregen daar waar de mannen hem konden raken, dat hij op zijn nek en zijn rug is geslagen en dat hij op zijn achterhoofd is geslagen met een hard voorwerp. Daarnaast is hij door de broer van verdachte in een soort nekklem gehouden terwijl verdachte het scherpe voorwerp in zijn hand had, waarna aangever op enig moment voelde dat hij werd gestoken in zijn schouder. Uit het onderzoek van de forensisch arts is tevens gebleken dat aangever letsel heeft opgelopen aan zijn hoofd, schouder en hand, bestaande uit scherprandige huidklievingen. In het licht daarvan acht de rechtbank de verklaringen van verdachte en zijn broer, dat ze geen geweld tegen aangever hebben gebruikt en zich juist hebben moeten verdedigen nadat ze door aangever werden aangevallen, ongeloofwaardig. Voorts vinden die verklaringen ook geen steun in het dossier. Daar komt bij dat uit de verklaringen in het dossier het beeld naar voren is gekomen dat verdachte de agressor was en na een woordenwisseling met aangever en zijn vriendin zijn broer erbij heeft gehaald en is teruggekomen om de confrontatie met aangever en zijn vriendin aan te gaan. Omdat ook geenszins is gebleken dat iemand zich van die situatie heeft gedistantieerd, kunnen de geweldshandelingen die tegen aangever zijn gepleegd zowel verdachte als zijn broer worden aangerekend.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De strafoplegging
7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
133 (honderddrieëndertig) dagen;
30 (dertig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
80 (tachtig) uren;
40 (veertig) dagen;
hoofdelijkop de
verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.547,35, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van
verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 925,00,vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 425,00 vanaf 22 november 2016, en over een bedrag van € 500,00 vanaf 25 september 2016, beide tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;