ECLI:NL:RBDHA:2018:4791
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak
Verzoeker had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar is behandeld.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de werking van het primaire besluit niet automatisch wordt geschorst door het indienen van bezwaar en dat de staatssecretaris niet bevoegd is om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten. Omdat partijen niet in geschil waren dat uitzetting moest worden voorkomen, werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €501,-, die aan de rechtsbijstandverlener moeten worden betaald. Ook werd definitief afgezien van het heffen van griffierecht wegens betalingsonmacht van verzoeker.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.M. Meijers en griffier J.C. de Grauw op 23 april 2018 en is niet vatbaar voor beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist.