ECLI:NL:RBDHA:2018:5038
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteitsbewijs
Eiseres, van Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis als echtgenote van een statushouder. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen omdat eiseres haar identiteit niet aannemelijk had gemaakt. Eiseres stelde dat zij met huwelijksakte, doopakten van kinderen en een DNA-onderzoek voldoende bewijs had geleverd.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde documenten onvoldoende waren om de identiteit van eiseres vast te stellen. De huwelijksakte ontbrak een foto en datum, de doopakten betroffen de kinderen en de inwonerspas betrof de referent. Ook het DNA-onderzoek bood slechts uitsluitsel over biologische verwantschap, niet over identiteit.
Verder werd geoordeeld dat het ontbreken van een identiteitsbewijs aan eiseres kon worden toegerekend, gezien de algemene ambtsberichten waaruit blijkt dat Eritreeërs vanaf achttien jaar in het bezit moeten zijn van een identiteitskaart. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd niet inhoudelijk behandeld omdat de familierechtelijke relatie niet was aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende aannemelijkheid van de identiteit.