Eiser, een Guinese nationaliteit, verzocht op 9 december 2017 in Nederland om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk wordt geacht op basis van een claimakkoord conform artikel 18, eerste lid, van de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat hij gedwongen was zijn vingerafdrukken in Duitsland af te geven zonder intentie daar te verblijven, dat hij geen mogelijkheid had om klachten in Duitsland in te dienen vanwege taal- en financiële barrières, en dat bijzondere omstandigheden ontbraken om de aanvraag in Nederland te behandelen. De rechtbank oordeelde dat uit Eurodac blijkt dat eiser in Duitsland asiel heeft aangevraagd en dat Duitsland deze aanvraag heeft afgewezen maar een volgende aanvraag zal behandelen.
De stelling van eiser dat hij niet opnieuw naar Duitsland kan vanwege onzorgvuldigheden in de Duitse procedure werd verworpen. De rechtbank verwees naar het EHRM-arrest K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk dat stelt dat klachten in het betrokken land moeten worden ingediend. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die tot een andere beslissing leiden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.