ECLI:NL:RBDHA:2018:5304
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijk gemaakte identiteit Eritrese aanvrager
Eiseres, een Eritrese vrouw, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat eiseres haar identiteit niet aannemelijk had gemaakt.
Verweerder stelde dat eiseres geen geldig identiteitsbewijs kon overleggen en dat er geen sprake was van bewijsnood, aangezien identiteitskaarten in Eritrea noodzakelijk zijn voor toegang tot overheidsdiensten en reizen binnen het land. Het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken wees erop dat identiteitskaarten vanaf 2014 werden uitgegeven en dat eiseres op dat moment al 22 jaar oud was.
Eiseres voerde aan dat zij vanwege haar verblijfsrechtelijke positie in Soedan geen contact kon opnemen met de Eritrese autoriteiten om een identiteitskaart aan te vragen en dat zij vluchtelingendocumenten van Soedanese autoriteiten had overgelegd die haar identiteit zouden aantonen. De rechtbank oordeelde echter dat deze documenten onvoldoende waren omdat niet duidelijk was op welke brondocumenten ze waren gebaseerd en ze niet door Eritrese autoriteiten waren afgegeven.
De rechtbank concludeerde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij in bewijsnood verkeerde en dat haar identiteit niet was vastgesteld. Daarom was het beroep ongegrond en werd het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de identiteit.