ECLI:NL:RBDHA:2018:5314
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet
Eisers, een gezin met een minderjarig kind, maakten bezwaar tegen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel verplichtte hen zich te houden aan verblijf in een gezinslocatie in Goes, omdat zij niet voldeden aan de rechtsplicht om Nederland te verlaten en er gevaar bestond dat zij zich aan uitzetting zouden onttrekken.
Eisers voerden aan dat de maatregel disproportioneel is, met name vanwege de overplaatsing naar Goes en de dagelijkse meldplicht, die zij als zeer belastend ervaren. Zij benadrukten de noodzaak van een stabiele omgeving vanwege het ziektebeeld van eiseres en de sociale en juridische ondersteuning die zij in Den Helder ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris bevoegd was de maatregel op te leggen, gelet op het gevaar voor de openbare orde en het niet meewerken aan vertrek. De rechtbank verwierp het betoog dat de meldplicht disproportioneel is, mede omdat ontheffing mogelijk is bij bijzondere omstandigheden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond verklaard en de maatregel is rechtmatig opgelegd.