ECLI:NL:RBDHA:2018:5347
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2014
Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2014, waarbij ook belastingrente in rekening was gebracht. Verweerder handhaafde de aanslag bij uitspraak op bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep en onderzocht of de aanslag terecht was opgelegd.
Eiser had een verzamelinkomen opgegeven van €18.898, bestaande uit loon uit twee dienstbetrekkingen en een WWB-uitkering van €5.900. Verweerder ontving van de gemeente informatie waaruit bleek dat eiser een WWB-uitkering van €9.919 had ontvangen, waarover €860 was terugbetaald. Verweerder stelde het verzamelinkomen daarom vast op €22.057.
Eiser voerde aan dat hij een procedure voerde tegen de gemeente over een terugvordering en boete, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij meer had terugbetaald dan het door verweerder gehanteerde bedrag van €860. Ook werden geen andere feiten of omstandigheden gesteld die de aanslag onjuist zouden maken.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is omdat eiser onvoldoende bewijs leverde om de aanslag te verlagen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.E. Schotte op 4 mei 2018.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2014 is ongegrond verklaard.