Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015, waarbij de inkomensafhankelijke combinatiekorting niet was toegekend. Verweerder deed pas op 26 oktober 2017 uitspraak op het bezwaar, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Eiser stelde dat de uitspraak op bezwaar nietig verklaard moest worden vanwege deze termijnoverschrijding.
De rechtbank overwoog dat de termijn van artikel 7:10, eerste lid, Awb een termijn van orde is en dat overschrijding hiervan niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van de uitspraak op bezwaar. Eiser had de mogelijkheid om verweerder in gebreke te stellen en bij uitblijven van een beslissing rechtstreeks beroep in te stellen, maar had hiervan geen gebruik gemaakt.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij de vordering van eiser af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.E. Schotte op 4 mei 2018.