ECLI:NL:RBDHA:2018:5349

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2018
Publicatiedatum
4 mei 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8329
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:10 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gevolgen niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar belastingaanslag

Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015, waarbij de inkomensafhankelijke combinatiekorting niet was toegekend. Verweerder deed pas op 26 oktober 2017 uitspraak op het bezwaar, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Eiser stelde dat de uitspraak op bezwaar nietig verklaard moest worden vanwege deze termijnoverschrijding.

De rechtbank overwoog dat de termijn van artikel 7:10, eerste lid, Awb een termijn van orde is en dat overschrijding hiervan niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van de uitspraak op bezwaar. Eiser had de mogelijkheid om verweerder in gebreke te stellen en bij uitblijven van een beslissing rechtstreeks beroep in te stellen, maar had hiervan geen gebruik gemaakt.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij de vordering van eiser af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.E. Schotte op 4 mei 2018.

Uitkomst: Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van gevolgen van de termijnoverschrijding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 17/8329

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

4 mei 2018 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: H.J. Schimmel),

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 26 oktober 2017 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2018.
Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] en [persoon 2].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft met zijn ex-partner een dochter, [dochter], geboren op
[geboortedatum] 2010. De relatie tussen eiser en zijn ex-partner is in 2014 beëindigd. De dochter is in 2015 ingeschreven op het adres van de ex-partner.
2. Bij zijn aangifte voor het jaar 2015 heeft eiser verzocht om toekenning van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Met dagtekening 11 maart 2017 is aan eiser de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 opgelegd. De inkomensafhankelijke combinatiekorting is daarbij niet verleend.
3. Eiser heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.
4. Eiser heeft beroep ingesteld en daarbij aangevoerd dat verweerder binnen zes weken na het indienen van het bezwaarschrift uitspraak op het bezwaar had moeten doen. Omdat verweerder niet om toestemming voor verlenging van deze termijn heeft verzocht en pas op 26 oktober 2017 uitspraak heeft gedaan, is de termijn waarbinnen uitspraak op bezwaar had moeten worden gedaan ruimschoots overschreden. De rechtbank dient daarom, aldus nog steeds eiser, de uitspraak op bezwaar “nietig te verklaren” en “het bezwaarschrift alsnog toe te kennen”.
5. Verweerder betwist niet dat de uitspraak op bezwaar niet tijdig is gedaan, maar betwist wel dat dit de nietigheid of vernietigbaarheid van de uitspraak op bezwaar tot gevolg heeft. Verder stelt verweerder dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheden tot ingebrekestelling en het instellen van beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
6. Ter zitting heeft eiser desgevraagd te kennen gegeven dat het in beroep niet meer gaat over het recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting en dat het geschil zich beperkt tot het gevolg dat moet worden gegeven aan het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
7. De rechtbank overweegt dat de in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het beslissen op het bezwaarschrift een termijn van orde is. Dit volgt onder meer uit het feit dat het bestuursorgaan in beginsel niet wordt ontslagen van zijn verplichting om uitspraak op bezwaar te doen als de beslistermijn is overschreden (zie artikel 6:20, eerste lid, van de Awb). Dit betekent dat aan de overschrijding van die termijn geen gevolgen zijn verbonden. De rechtbank ziet in de overschrijding van deze termijn dan ook geen aanleiding het beroep van eiser gegrond te verklaren en de uitspraak op bezwaar te vernietigen. Eiser had verweerder in gebreke kunnen stellen waarna verweerder bij verder uitstel een dwangsom zou hebben verbeurd. Tegen het uitblijven van een beslissing door verweerder had eiser vervolgens rechtstreeks beroep bij de rechtbank kunnen instellen. De rechtbank concludeert dat eiser van geen van beide mogelijkheden gebruik heeft gemaakt.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.